Algemeen Nut Beogende Instelling

 

wait
wait

Denkstof

Van de voorganger

‘En terwijl hij dit tot zijn verdediging aanvoerde, zeide Festus met luider stem: Gij spreekt wartaal, Paulus, uw vele studie brengt u in de war. Maar Paulus zeide: Hoogedele Festus, ik spreek geen wartaal, maar nuchtere waarheid. Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig, want ik kan niet geloven, dat hem iets van deze dingen onbekend is; dit is immers niet in een uithoek geschied. Koning Agrippa, gelooft gij de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft! Maar Agrippa zeide tot Paulus: Gij wilt mij wel spoedig als Christen laten optreden! En Paulus zeide: Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, ook zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien’.

Handelingen 26:24-29

 

Deze verzen zijn een onderdeel van het verslag van de gevangenschap van Paulus in Caesaréa. Na zijn 3 zendingsreizen zit hij daar 2 jaar gevangen tot hij op transport naar Rome gaat om zich daar voor het hof van de keizer te verdedigen. Eerst hoort stadhouder Felix Paulus aan. Nadat Paulus al 2 jaar gevangen gehouden werd wordt Felix opgevolgd door Festus. Deze roept de hulp in van koning Agrippa, een achterkleinzoon van Herodes tijdens wiens regering Jezus werd geboren. Als Festus en Agrippa Paulus voor laten komen houdt Paulus een vurig betoog ter verdediging. Hij vertelt over zijn jeugd, zijn opleiding, zijn overtuiging dat hij de christenen moest uitroeien, zijn ontmoeting met de opgestane Jezus op weg naar Damascus, zijn bekering en zijn ijver om Joden en heidenen met het evangelie te bereiken. Festus begrijpt er niets van en denkt dat het Paulus in z’n bol geslagen is: ‘Wat een onzin Paulus, je bent door je vele studeren helemaal in de war, je bent gek, je weet niet meer wat je zegt!’ Is het tegenwoordig ook niet zo dat mensen het maar gek vinden als je openlijk over Jezus vertelt? Door beide: door onkerkelijke mensen, zij die het evangelie niet kennen, maar ook door mensen die naar de kerk gaan, die het evangelie wel kennen. Agrippa hoort bij die laatste groep. Paulus spreekt hem heel persoonlijk aan op de kennis van de dingen waar Paulus het over had. Agrippa weert af: ‘Het lijkt wel Paulus, alsof je mij ook wilt bekeren maar dat gaat niet gebeuren’. Hoeveel mensen zullen er tegenwoordig ook nog zijn die het evangelie hebben gehoord, het misschien zelfs door kunnen vertellen en er toch geen deel aan hebben, het niet geloven? Mag ik Paulus’ antwoord zo vertalen: ‘Was je zo maar zo ‘gek’ als ik ben’? Zouden wij zó over het evangelie durven praten met anderen?

Harry Pot

 

 

-